

Iona Stichting
Jaarverslag 2014
6
de bal behoedzaam in de linkerhand van zijn buurman, en merkt daarbij dat zijn
linkerhand ‘als vanzelf’ een andere bal ontvangt. Vervolgens brengt iedereen deze
bal in zijn linkerhand naar zijn eigen rechterhand, en dan kan de eerste beweging
opnieuw worden voltrokken. Zo ontstaat er een ritme dat door de groep wordt
bepaald, en de snelheid kan daarbij eventueel worden opgevoerd. Totdat er iemand
dromerig wordt van de cadans, en bijvoorbeeld vergeet om zijn linkerarm uit te
strekken, of totdat iemand teveel over de handelingen gaat nadenken en hierdoor
net te vroeg of te laat in actie komt. Het resultaat: er valt een bal op de grond,
of iemand in de kring ontdekt dat hij opeens geen bal meer in zijn handen heeft,
terwijl een ander er in elke hand één vasthoudt.
Wat dit kringspel (dat vaak in euritmielessen op de Vrijeschool wordt gedaan) zo
bijzonder maakt, is de ontdekking, elke keer weer, dat geconcentreerde aandacht bij
het geven van de (koperen) bal voldoende is. Je hoeft er alleen maar op te letten dat
jouw bal precies in de linkerhand van je rechterbuurman terechtkomt en
ondertussen zorgt je linkerbuurman er wel voor dat je in je geopende linkerhand
een nieuwe bal ontvangt. Niet alleen het Bijbelse gezegde ‘Laat uw linkerhand niet
weten wat u rechterhand doet,’ wordt hiermee ervaarbaar: je ontdekt ook dat die
lege linkerhand elke ronde weer gevuld wordt met iets wat je daarna weer weg
kunt schenken.
Natuurlijk wil dit niet zeggen dat het er in de werkelijkheid ook altijd zo speels,
simpel en eerlijk aan toe gaat. We leven nu eenmaal niet in veilige kringen, waarin
iedereen elkaar precies evenveel geeft – waardoor iedereen ook steeds weer
evenveel terugkrijgt.
Iets soortgelijks zien we bij nieuwe initiatieven tot een zogeheten ‘circulaire
ecomonie’ waarin dus ook van een grote mate van transparantie sprake is. Echter,
een al te gesloten kringloop verhindert tevens dat er creativiteit, groei en
(persoonlijke) ontwikkeling mogelijk zijn: immers het aantal ‘ballen’ blijft gelijk.
Iedereen is gedwongen op zijn plek te blijven staan en zich te houden aan het
ritme. Een dergelijk ‘zelfvoorzienend’ samenleven kan op den duur klakkeloos
worden, mechanisch, waardoor geven en ontvangen beide hun waarde verliezen.
De handelingen komen dan niet meer voort uit vrije wil, laat staan uit het hart.
Maar wat, als we de vrije wil van ieder individu maar op z’n beloop laten? Blijkt
het merendeel van de mensen dan niet vooral uit op nemen, verzamelen, bezitten,
(op)sparen en consumeren?
Het is alweer jaren gebruikelijk om de mens te zien als een zelfzuchtig wezen,
zonder hierover een negatief waardeoordeel te vellen. Immers, deze aangeboren
zelfzuchtigheid kan dusdanig worden ingezet, gestimuleerd en gereguleerd, dat ze
de economie ten goede komt. De impuls die er van een stijging van de koopkracht
uitgaat is enorm, het ‘welbegrepen eigenbelang’ is geen beladen term meer,
en hoewel iedereen er inmiddels ruimschoots van doordrongen is dat groei en
expansie niet eindeloos kunnen doorgaan, onderschrijven sommigen stilzwijgend
toch nog de pompeuze slogan die zakenman Gordon Gekko (gespeeld door Michael
Douglas) uitsprak in de film
Wall Street
(
1987
) en die luidde: ‘Greed is good.’
Dit weer tot verbijstering van anderen die, daartoe al dan niet aangespoord door de
recente crisis, van mening zijn dat er een einde moet komen aan de hebzucht, aan
het consumentisme en in de eerste plaats aan de graaicultuur bij banken en multi-
nationals.
Met lede ogen stellen ze vast dat mensen nauwelijks meer in staat zijn om onbaat-